Toggle navigation

Contact

Bel onze adviseurs
020 - 344 59 00,
of e-mail ons geheel
vrijblijvend
info@koppeladvies.nl

Geschreven door:
Marijn Bitter

18-01-2011

Premieplicht DGA met minderheidsbelang

Premieplicht DGA met minderheidsbelang

Een tijdelijk minderheidsbelang voor een directeur-grootaandeelhouder hoeft niet per se te leiden tot een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.

Naar burgerlijk recht is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als in een arbeidsrelatie alle drie de volgende elementen aanwezig zijn:

•de betaling van loon;
•het bestaan van een gezagsverhouding;
•het verrichten van persoonlijke arbeid.
 
De feitelijke situatie is hierbij doorslaggevend en niet de bedoeling en/of de formele inhoud van een overeenkomst tussen partijen. Is sprake van een dienstbetrekking dan is sprake van een inhoudingsplichtige voor de loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Voor de premieheffing werknemersverzekeringen gelden nog aanvullende regels met betrekking tot het element gezagsverhouding. Zo zijn er diverse beleidsbesluiten uitgebracht over de verzekeringsplicht in diverse situaties en voor diverse beroepsgroepen. Ook is in de loop der jaren omvangrijke rechtspraak hierover verschenen. Een van de categorieën hieruit betreft de directeur-grootaandeelhouder (dga). Een cruciaal element voor het aannemen van verzekeringsplicht in een arbeidsverhouding van een dga is of in zijn arbeidsverhouding met de bv een gezagselement aanwezig is waardoor de dga tegen zijn wil kan worden geschorst of ontslagen. Een minderheidsbelang in een bv geeft doorgaans niet de mogelijkheid om deze maatregelen tegen te houden waardoor in beginsel een gezagsverhouding wordt aangenomen. Maar niet elk minderheidsbelang leidt tot verzekeringsplicht voor de dga voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Illustratief is hierbij een uitspraak van Hof Den Bosch. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
 
Naheffingsaanslag
Een bv had twee directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die via hun persoonlijke holdings alle aandelen in de bv hielden. De ene dga hield 55% van de aandelen en de andere de overige 45%. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur de bv een naheffingsaanslag in de loonheffingen (in dit geval premies werknemersverzekeringen) op over de maand april 2007. Hij stelde dat toch sprake was van een gezagsrelatie tussen de bv en de dga met het 45%-belang.
 
Tijdelijk en voorbijgaand
 Het hof stelde op basis van feiten en omstandigheden vast dat dit minderheidsbelang van volstrekt tijdelijke en voorbijgaande aard was. De ongelijke aandelenverhouding was nog een erfenis uit het verleden toen zij tezamen in een vennootschap onder firma werkten met een winstverdeling van 55%-45%. Bij inbreng van de onderneming in een bv wilden zij op basis van gelijkwaardigheid verdergaan. Zij hadden hun aandelenbezit ook kort daarna (mei 2007) gewijzigd in een 50%-50% verdeling. Het hof achtte de verklaring op basis van feiten en omstandigheden aannemelijk en vernietigde daarom de naheffingsaanslag.

 

Send this to a friend