Toggle navigation

Contact

Bel onze adviseurs
020 - 344 59 00,
of e-mail ons geheel
vrijblijvend
info@koppeladvies.nl

Geschreven door:
Nico Koppel

29-09-2011

Nederlandse FE wet strijdig met EU-recht

Nederlandse FE wet strijdig met EU-recht

Nederlands fiscale eenheidsregime voor de Vpb (nog steeds) strijdig met EU-recht

Rechtbank Haarlem oordeelde op 14 september 2011 (nr. 10/3865) dat een fiscale eenheid tussen een grootmoeder-BV en haar kleindochter niet kan worden geweigerd als de tussenhoudstermaatschappij volgens artikel 15 Wet Vpb niet mag toetreden tot de fiscale eenheid.

Het ging om een in Nederland gevestigde BV met een in Nederland gevestigde kleindochter. De inspecteur weigerde een fiscale eenheid omdat de tussenhoudster volgens artikel 15 Wet Vpb deel moet uitmaken van de fiscale eenheid. Aan deze voorwaarde kon echter niet worden voldaan omdat sprake was van Duitse tussenhoudstermaatschappij zonder Nederlandse vaste inrichting. Een binnen de EU gevestigde tussenhoudster zonder vaste inrichting in Nederland wordt door het Nederlandse fiscale eenheidsregime namelijk uitgesloten van de fiscale eenheid.

Het Hof van Justitie van de EG heeft twee arresten gewezen die voor deze zaak van belang zijn. Uit het X Holding-arrest, nr. C-337/08 blijkt dat het Nederlandse fiscale eenheidsregime niet strijdig is met het EU-recht ondanks dat een buitenlandse dochter niet kan worden gevoegd met een Nederlandse moedermaatschappij. Een dergelijke beperking was gerechtvaardigd voor de handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid en ging ook niet verder dan nodig was om dubbele verliescompensatie te voorkomen (het zogenoemde proportionaliteitsbeginsel).

In het Société Papillon-arrest, nr. C-418/07 ging het om een met het Nederlandse fiscale eenheidsregime vergelijkbare Franse regeling. De Franse regeling verbood een ‘fiscale eenheid’ tussen een Franse moedermaatschappij en haar Franse dochtermaatschappijen, waarbij de aandelen in die dochtermaatschappijen werden gehouden door een Nederlandse tussenhoudster. Het HvJ EG achtte de Franse regeling in strijd is met het EG-Verdrag. Hieruit kan worden afgeleid dat Nederland een fiscale eenheid moet toestaan als sprake is van een in een andere lidstaat gevestigde tussenhoudster en mogelijk zelfs voor twee Nederlandse zustermaatschappijen met een gezamenlijke moedermaatschappij in een andere lidstaat.

Rechtbank Haarlem stelt vast dat er sprake is van een ongelijke behandeling in strijd met de vrijheid van vestiging. Voor een mogelijke rechtvaardiging van deze discriminatie sluit de Rechtbank aan bij beide HvJ EG-arresten en gaat voor wat betreft het Société Papillon-arrest nog wat verder. Aangezien de beoogde fiscale eenheid uitsluitend in Nederland gevestigde vennootschappen betreft, kan in de verdeling van heffingsbevoegdheid geen rechtvaardigingsgrond voor afwijzing van de fiscale eenheid worden gevonden. Er is in dit geval ook sprake van strijd met het proportionaliteitsbeginsel omdat dubbele verliesverrekening zou kunnen worden voorkomen door een regeling in te voeren die vergelijkbaar is met die voor vaste inrichtingen. Dit is minder beperkend dan de huidige situatie waarbij de fiscale eenheid in geval van een buitenlandse tussenhoudster per definitie en zonder mogelijkheid van tegenbewijs is uitgesloten. Of in Duitsland dezelfde verliezen kunnen worden verrekend waardoor grensoverschrijdende dubbele verliesverrekening mogelijk is, dient volgens de Rechtbank buiten beschouwing te blijven. De inspecteur moest de fiscale eenheid alsnog toestaan maar kon conform artikel 15 Wet Vpb nadere voorwaarden stellen voor verliesverrekening bij de kleindochter.
 

Send this to a friend