Toggle navigation

Contact

Bel onze adviseurs
020 - 344 59 00,
of e-mail ons geheel
vrijblijvend
info@koppeladvies.nl

Geschreven door:
Nico Koppel

05-12-2013

Inkomen voor advocaten, notarissen en andere vrije beroepsbeoefenaren

Inkomen voor advocaten, notarissen en andere vrije beroepsbeoefenaren

Het inkomen van vrije beroepsbeoefenaren, zoals advocaten en notarissen, is een doorlopende bron van fiscale procedures en daarmee een permanent punt van discussie.

Keuzes voor rechtsvorm
De vrije beroepsbeoefenaar oefent een beroep uit, waarbij de keuze voor de rechtsvorm niet alleen wordt ingegeven door de fiscale consequenties, maar met name ook door aansprakelijkheidsaspecten. Aansprakelijkheid, of het vermijden van het risico daarop, is veelal de ultieme beweegreden om de bedrijfsvorm te gieten in een structuur waarbij de risico’s worden beperkt: door een besloten vennootschap en het bij voorkeur gebruikmaken van personal holdings. Dat de fiscaliteit bij deze keuze van organisaties een factor is om rekening mee te houden, is evident.

Inkomensdiscussie
De discussie rondom de hoogte van het inkomen van een vrije beroepsbeoefenaar door gebruikmaking van een BV, wordt geregeerd door het begrip ’gebruikelijk loon’. Een begrip dat sinds de invoering in de wetgeving in discussies een stuk rekbaar elastiek is gebleken. In de praktijk werd een toepassing gecreëerd door de toepassing van de ‘afroommethode’”. Deze (typisch paars-Nederlandse) methodiek heeft lang standgehouden, maar heeft zijn Waterloo gehaald bij de Hoge Raad voor wat betreft de inkomens van vrije beroepsbeoefenaren in grote samenwerkingsverbanden. (Meer hierover in het bericht ‘Salaris DGA met BV in maatschap’)

Hoge Raad
De Hoge Raad heeft de verdergaande professionele groei van samenwerkingsverbanden in de vorm van grote advocatenmaatschappen, nv ’s, coöperaties en meer internationale samenwerkingsverbanden als LLC en LLP nog eens onderstreept met een arrest uit november 2012. Dit bepaalt dat voor inkomens uit dergelijke ondernemingen niet meer het criterium van ‘de praktijk op de hoek’ geldt, maar dat moet worden aangesloten bij de meer reguliere (internationale) ondernemingen en begrippen rondom gebruikelijk loon.

Bevestiging in verwijzingsprocedure
In de navolgende verwijzingsprocedure voor het Hof Amsterdam, waarbij in september 2012 uitspraak is gedaan, is nog eens een verder bevestigd dat voor inkomens van partners in grote samenwerkingsverbanden een afroommethodiek niet volstaat. Voilà, na het eerdere arrest van de Hoge Raad, lijkt hiermee de weg open om alle lopende verzoeken om toetsing van gebruikelijk loon voor vrije beroepers tot een einde te brengen en weer rust in ‘partnerland’ te creëren.

Hoe verder ?
De schijn bedriegt hier echter: uit onze goede contacten met de Belastingdienst vanuit het Horizontaal Toezicht, is ons zeer recent bekend geworden dat alsnog cassatieberoep wordt ingesteld en dat de staatssecretaris opnieuw naar de Hoge Raad stapt om het recht verder te laten ontwikkelen.

De oplossing
Een praktisch probleem doemt hierbij op: hoe gaan we in de overgangsperiode om met deze problematiek? Immers, waar gedacht werd zekerheid te verkrijgen met het arrest en de uitspraak in de vervolgprocedure, zijn we nu weer terug bij af. Gelukkig heeft de fiscus dit onderkend en zal er in afwachting van het arrest van de Hoge Raad toch overeenstemming kunnen worden bereikt over het begrip ‘partnerinkomen’ en de toetsing hiervan aan de redelijkheid. Op zich zijn wij content met deze positieve houding van de fiscus en onderstreept dit onze beslissing om het convenant met de fiscus te ondertekenen. Naar onze mening worden immers voor dit soort status-quo-situaties in goed onderling overleg de beste resultaten bereikt, in dit geval: rust in partnerland.

Send this to a friend